Deze cursus is geactualiseerd per mei 2026
Juist na het arrest van het EHRM in Keskin v. Nederland en de daaropvolgende rechtspraak van de Hoge Raad is grondige kennis van de regels over getuigenverzoeken en het ondervragingsrecht onmisbaar geworden voor iedere strafrechtadvocaat. De verdediging wordt sindsdien nadrukkelijker in positie gebracht om belastende getuigen te kunnen confronteren en de betrouwbaarheid van verklaringen effectief te toetsen. Tegelijkertijd laat de post-Keskin-jurisprudentie zien dat het succes van een getuigenverzoek nog steeds sterk afhankelijk is van de wijze waarop het verzoek wordt onderbouwd, het moment waarop het wordt gedaan en de proceshouding van de verdediging gedurende het strafproces.
Deze ontwikkelingen hebben geleid tot een verschuiving binnen de strafrechtspraktijk. Waar voorheen de nadruk vaker lag op de proceseconomie en de efficiëntie van de behandeling ter terechtzitting, staat nu sterker centraal of de verdediging daadwerkelijk een effectieve mogelijkheid heeft gehad om het bewijs te betwisten. Dat geldt in het bijzonder wanneer een bewezenverklaring in beslissende mate steunt op verklaringen van getuigen die niet door de verdediging zijn ondervraagd. In dergelijke gevallen dient de rechter expliciet te beoordelen of het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid voldoende wordt gecompenseerd door andere procedurele waarborgen.
Voor de strafrechtadvocaat betekent dit dat strategische keuzes rondom het indienen van getuigenverzoeken belangrijker zijn geworden dan ooit. Niet alleen kennis van de wettelijke criteria uit het Wetboek van Strafvordering is daarbij essentieel, maar ook inzicht in de wijze waarop het EHRM en de Hoge Raad het ondervragingsrecht uitleggen en toepassen. Een goed gemotiveerd getuigenverzoek kan immers van doorslaggevende betekenis zijn voor de bewijswaardering, de betrouwbaarheidstoetsing en uiteindelijk de uitkomst van de strafzaak.
Deze cursus behandelt daarom niet alleen de formele wettelijke kaders rondom het horen van getuigen, maar biedt ook praktische handvatten voor het formuleren, onderbouwen en verdedigen van getuigenverzoeken in het licht van de actuele nationale en Europese jurisprudentie. Daarbij wordt uitgebreid aandacht besteed aan de betekenis van Keskin, de daaropvolgende rechtspraak van de Hoge Raad en de gevolgen daarvan voor de dagelijkse strafpraktijk.
Deze cursus geeft direct inzicht in de geldende regels en de beoordelingscriteria over het horen van getuigen in het strafrecht. Ook wordt uitgebreid stilgestaan bij de Nederlandse jurisprudentie en de arresten van het EHRM waarbij de beoordelingscriteria uiteengezet worden.
Deze juridische nascholing bestaat uit de volgende blokken:
- Blok A Ondervragingsrecht in het Nederlandse strafprocesrecht
- Blok B Ondervragingsrecht in het licht van artikel 6 EVRM
- Blok C Verschil in toetsingskader tussen het EHRM en de Hoge Raad
Leerdoelen
Na afloop van deze juridische nascholing:
- bent u bekend met de geldende regelgeving zowel in eerste aanleg als in appel over het horen van getuigen;
- bent u bekend met de Nederlandse en Europese jurisprudentie over het horen van getuigen en kunt u de rechtsregels die daaruit voortvloeien gebruiken in uw praktijk;
- kunt u aan de hand van de geldende beoordelingscriteria aangeven waarom er in uw zaak juist wel een getuige gehoord moet worden en dat er bij weigering daarvan wellicht sprake kan zijn van schending van het recht op een eerlijk proces;
- kunt u in een gegeven casus beoordelen op welke wijze getuigen opgeroepen moeten worden en wat er van de verdediging verwacht wordt in de onderbouwing van zo’n verzoek;
- kunt u op de juiste gronden aangeven waarom er alsnog een getuige gehoord moet worden en waarom de rechter dat verzoek zal moeten inwilligen.
